Natuur wordt steeds natuurlijker

Foto voor bij blog.jpg

Van nature houdt Dietz zich bezig met de fysieke omgeving: ontwikkelingen in infrastructuur, wonen en detailhandel. De natuur in en rond ontwikkelingen is daar een vanzelfsprekend onderdeel van. In Nederland zijn de grenzen van de verstedelijking in zicht. Aankomende weken schrijven wij daarom een blogserie waarin wij vanuit verschillende expertises het onderwerp natuurinclusief bouwen bespreken.

Vanuit onze projecten zien wij dat er steeds meer vraag ontstaat voor het betrekken van de natuur in binnenstedelijke gebieden en nieuwbouwprojecten. Natuur kan namelijk op meerdere manieren de leefkwaliteit in de steden verbeteren. Denk hierbij aan een betere luchtkwaliteit, een hoger welzijn, verkoeling van de stad in de zomer en de vermindering van de kans op wateroverlast.   

De komende weken verschijnt via dit kanaal tweewekelijks een aflevering van deze blogserie.

Drie must reads, voor nog beter haalbare projecten

Jorinke Vos

Jorinke Vos

Bij Dietz Strategie & Communicatie werken we elke dag aan het creëren van publiek, politiek en maatschappelijk draagvlak voor complexe, ruimtelijke projecten. Hiervoor zijn we betrokken bij projecten variërend van grote gebieds- en infrastructurele ontwikkelingen, middelgrote tot kleine herontwikkelingen en diverse duurzaamheids- en natuuropgaves. Iedere dag en binnen elk project werken we nauw samen met andere vakexperts, zoals projectontwikkelaars, stedenbouwkundige, architecten en juristen en komen we in al onze projecten wethouders, burgers en journalisten tegen. Een dynamisch speelveld, dat iedere dag weer nieuwe uitdagingen met zich mee brengt.

Binnen dit dynamische speelveld zoeken we bij Dietz altijd naar de juiste balans tussen theorie en praktijk om onszelf scherp te houden. Want, naast alle ervaringen die we in de praktijk opdoen, ontwikkelt de wereld om ons heen zich ook door. Met de zomerperiode voor de deur wil ik jullie daarom deze leestips meegeven:

  • Handboek Strategisch OmgevingsManagement (SOM)

  • De zeven eigenschappen van effectief leiderschap

  • Zo werkt gebiedsontwikkeling

Met de kennis uit deze boeken weten wij projecten nog beter haalbaar te maken.

Handboek Strategisch OmgevingsManagement (SOM) – M. Wesselink

Allereerst het ‘Handboek Strategisch OmgevingsManagement’ (SOM). SOM is gericht op het bouwen aan een duurzame dialoog en relatie met de omgeving om niet alleen conflicten te helpen voorkomen (bijv. vertraging in projecten), maar de plannen daadwerkelijk ook beter te maken. SOM gaat daarbij uit van het Mutual Gains-gedachtegoed, waarbij vanuit oprechte interesse in de belangen in plaats van standpunten van partijen wordt gezocht naar een oplossing die door alle betrokkenen gedragen en als winst beoordeeld wordt. De kracht van SOM zit hem daarbij niet in het denken vanuit macht, maar vanuit wederzijdse belangen.

Handboek Strategisch OmgevingsManagement (SOM) – M. Wesselink

Handboek Strategisch OmgevingsManagement (SOM) – M. Wesselink

Elementen van de SOM-methodiek spelen altijd een rol in onze projecten en helpt ons om ‘on speaking terms’ met alle stakeholders te komen en te blijven. Dit vraagt van ons als adviseurs verschillende kwaliteiten. In het handboek wordt daarvoor het veranderkundig kleurendenken van Caluwé aangehaald. “De zeven eigenschappen van effectief leiderschap” helpen mij daarnaast ook om de juiste afwegingen te maken. 

De zeven eigenschappen van effectief leiderschap – S.R. Covey

De zeven eigenschappen van effectief leiderschap geeft namelijk inzicht in hoe je met meer succes en impact je werk kunt doen. Covey redeneert daarvoor van binnen naar buiten. Hij gaat er vanuit dat de lens waardoor we kijken (ons paradigma) bepalend is voor de interpretatie van wat we zien (ons referentiekader). Het volgende waarnemingsexperiment maakt dit inzichtelijk:

Waarnemingsexperiment voor ervaren paradigmaverschuiving

Waarnemingsexperiment voor ervaren paradigmaverschuiving

“We denken dat we de dingen helder en objectief zien, totdat we erachter komen dat voor iemand anders vanuit zijn optiek hetzelfde geldt. Naarmate we ons meer bewust zijn van onze paradigma’s, kunnen we ze beter toetsen aan die van anderen en proberen onze visie te verbreden.” - Covey

Dit inzicht helpt om effectiever het contact met anderen aan te gaan. Want juist ook op emotioneel en persoonlijk vlak bestaan deze verschillen in paradigma’s. Het draait daarbij om de juiste balans te vinden tussen – zoals Covey dat noemt - het geproduceerde (P) en het productieapparaat of -middel (PM). Of in mijn eigen woorden: een goede balans te vinden tussen de aandacht voor wat je wilt bereiken en anderzijds je relatie met de ander. De balans op je emotionele bankrekening met de ander is daarvoor een mooie graadmeter: je moet regelmatig stortingen doen, om van tijd tot tijd ook wat op te kunnen nemen.

Vrij vertaalt zijn de belangrijkste lessen – de zeven eigenschappen - die ik meeneem uit Covey:

  1. Richt je vooral op je cirkel van invloed

  2. Leef naar je persoonlijke missie

  3. Focus je op zaken die belangrijk zijn en niet dringend en delegeer resultaatgericht

  4. Denk win-win en heb geloof in de derde weg

  5. Stel je open voor invloed door eerst echt te luisteren

  6. Weet verschillen op waarde te schatten

  7. Houd jezelf lichamelijk, geestelijk, sociaal en spiritueel in balans

Zo werkt gebiedsontwikkeling – F. de Zeeuw

Last but not least, biedt het handboek ‘Zo werkt gebiedsontwikkeling’ een prachtig overzicht van alle stappen en aspecten van het gebiedsontwikkelingsproces. En geeft je dus een prachtig beknopt kijkje in de keuken van de andere vakdisciplines. Het proces, de organisatie, financiën (o.a. de grondexploitatie), wetgeving en participatie. Maar ook op de inhoudelijke aspecten van gebiedsontwikkeling zoomt het boek nader in. Thema’s zoals duurzaamheid, functiemening, openbare ruimte en stedenbouw worden behandeld. Verder gaat het boek dieper in op een aantal domeinen die nauw raken aan gebiedsontwikkeling: het mobiliteitsvraagstuk, de klimaatadaptatie en de energietransitie. Thema’s waar we vandaag de dag niet meer omheen kunnen en waar iedereen mee te maken krijgt. Daarom is ook dit boek mijn inziens een echte must read!

Welke ‘must reads’ tip jij ons?

Branding is alles overstijgend

Bij Dietz vinden wij het belangrijk om te werken aan kennisontwikkeling; leren met elkaar en van elkaar. Dit doen wij dan ook regelmatig tijdens de Dietz Academy. In elke Academy staat een belangrijk thema centraal, waar we ons een avond in verdiepen. Vorige week dinsdag stond de Dietz Academy in het teken van Branding.

Het begint met de ‘WHY’

Branding is fundamenteel en de basis voor je merk. Dit geldt voor organisaties, gemeenten, steden en regio’s. Branding is alles overstijgend: marketing, communicatie, website, HR, social media, huisstijlen en gebouwen. Het is een verhaal dat consistent vertelt moet worden. Het gaat niet alleen om het merk wat je bouwt, maar ook wat je uitstraalt als organisatie bij elk klantcontact. Denk hierbij aan de customer journey, bij elk contactmoment met de klant wordt het verhaal eenduidig verteld en uitgestraald. Een sterk en consistent merk geeft richting en zekerheid.

De vraag is natuurlijk, hoe bouw je een sterk merk? Denk terug aan de ‘Why’ en stel jezelf de vraag ‘Waarom doen wij wat we doen’? Haal hiervoor input bij de hele organisatie en formuleer een kernachtig verhaal. Dit verhaal vormt de meetlat voor de kernwaarden, hoe je je als organisatie gedraagt, en de merkwaarden, of merkbeloften; wat ‘beloof’ je als organisatie en hoe maak je deze beloften waar?

Belangrijk is om de focus op branding niet alleen extern te doen, maar ook intern. Zorg dat je regelmatig het verhaal van de organisatie met de medewerkers deelt en de kernwaarden door iedereen laat omarmen. Op deze manier kun je ervoor zorgen dat iedereen in de organisatie het gedrag toont wat past bij het merk.

Merkpersoonlijkheid als strategie

De eigen identiteit is leidend voor de branding. Maar hoe geef je richting aan deze identiteit? Merkwaarden kunnen op diverse manieren worden geïnterpreteerd en hebben een kader nodig om op de juiste manier uitgelegd te worden.

Een manier om identiteit en merkwaarden te definiëren en communiceren is met de archetypen van Psycholoog en Professor Carl Gustav Jung.  Hij omschreef verschillende merkpersoonlijkheden en zette die uit op een as. Dit model biedt een handige tool om als organisatie te bepalen waar je voor staat en wat je wilt uitdragen.

De merkpersoonlijkheden zijn:

  • Combinatie van individueel en vrijheid: Held, Schepper en Ontdekker.

  • Combinatie van vrijheid en sociaal zijn: Rebel, Nar en Verleider.

  • Combinatie van sociaal en orde zijn: Verzorger, Groepsmens en Zorgeloze.

  • Combinatie van orde en individueel zijn: Magiër, Wijze en de Leider.

Elke merkpersoonlijkheid bevat kernmerken, een kracht en een valkuil. De kenmerken van de ‘Schepper’, ook wel ‘Creator’ genoemd, zijn bijvoorbeeld: avontuur, autonomie en mogelijkheden. De kracht van deze merkpersoonlijkheid is nieuwsgierigheid. De valkuil is aanhoudende onrust.
Een voorbeeld van een merk die deze persoonlijkheid nastreeft is ‘LEGO’. Zij staan voor creëren en doen dit op basis van mogelijkheden en het wekken van nieuwsgierigheid.

Om te bepalen welke identiteit de organisatie wilt vormen vanuit een merkpersoonlijkheid, is het van belang om eerst te onderzoeken welke persoonlijkheid je nu uitstraalt, om vervolgens te bepalen waar je naartoe wilt. Kijk hierbij naar het gedrag, de uitstraling en de communicatie zowel online als offline. Vervolgens kun je concrete acties formuleren om te komen tot de gewenste merkpersoonlijkheid. Daarnaast kan het interessant zijn om vergelijkbare merken in te delen op basis van merkpersoonlijkheden, zodat je kunt vertellen wat jouw onderscheidende waarden zijn. 

Dit model is zowel toe te passen op organisaties, als steden, gebieden en plekken. Het biedt een andere manier van denken en kijken, waardoor je op nieuwe ideeën komt en richting krijgt voor de identiteit van de organisatie.

Vanuit onder andere dit perspectief werken wij momenteel de citymarketing strategie uit voor de Hoeksche Waard en zijn wij voor diverse projectontwikkelaars concepten aan het creëren.

Van NIMBY naar YIMBY

20436697295_816e2cf98d_b.jpg

Ellenlange bezwaar- en beroepsprocedures, beroepsbezwaarmakers en bestuurders die gevoelig zijn voor bezwaren en maatschappelijke onrust; drie redenen waarom de NEPROM en enkele van hun leden zich zorgen maken over toenemende vertraging en oplopende kosten bij nieuwe bouwprojecten. En terecht. Tweede Kamerleden Koerhuis en Laan-Geselschap sluiten zich aan bij deze zorgen en stelden vragen aan minister Ollongren. De kern van deze vragen: kunnen we de bezwaarmogelijkheden inperken, zodanig dat dit soort excessen worden tegengaan? Op 25 april jongstleden ontving de Kamer de beantwoording. Een korte samenvatting: tegengaan van excessen en het voorkomen van vertraging is van belang en daar worden stappen in gezet, maar de rechtspositie van belanghebbenden mag niet worden geschaad en dat beperkt de mogelijkheden.  

Een complex probleem, dat geen eenduidige oplossing kent. Rechtsbescherming is tenslotte een groot goed en het is in de praktijk erg lastig om te bepalen wanneer bezwaren oprecht zijn of wanneer bezwaren vooral gebruikt worden voor persoonlijk gewin. We vinden met z’n allen dat het belangrijk is dat er meer woningen worden bijgebouwd en dat er voldoende ruimte is voor werkgelegenheid en kantoorruimte. Toch lijkt dat standpunt in de praktijk snel te veranderen als het betreffende appartementencomplex, kantoorgebouw of logistiek centrum in je achtertuin moet komen. Er is zelfs een naam voor dit verschijnsel: het NIMBY-principe (Not In My Back Yard) of in het Nederlands: het NIVEA-principe (Niet In Mijn Voor- En Achtertuin).

Aan de ene kant staan de gebruikers van gebieden die belang hechten aan de leefbaarheid en daar tegenover staan overheden en projectontwikkelaars die op snelgroeiende marktvragen en maatschappelijke vraagstukken inspelen. Het gat daartussen lijkt te vergroten -en dat is een maatschappij-brede trend die ook in andere sectoren zichtbaar wordt– terwijl de brug steeds lastiger te bouwen lijkt. De (politieke) keuze om vooral in te zetten op binnenstedelijke verdichting om daarmee het groen in het buitengebied te ontzien, maakt dit complexe probleem alleen nog maar complexer. Wij zien dat ook terug in onze projecten, waar het in 90% van de gevallen gaat over gebrek aan publiek en/of politiek draagvlak, ontbreken van wederzijds vertrouwen en te weinig oog voor maatschappelijke nut en noodzaak. Meestal zelfs een combinatie hiervan.

Toch is draagvlak, wederzijds vertrouwen en voldoende aandacht voor maatschappelijke nut en noodzaak wel het sleutelwoord. Zeker in het licht van de nieuwe Omgevingswet, waar het betrekken van belanghebbenden in de plan- en besluitvorming een nog veel grotere rol gaat spelen. De participatieplicht raakt iedereen, zo bleek deze week ook al uit dit bericht van Co Verdaas en Tom Daamen.  Het is daarbij een misverstand dat de bal enkel bij de initiatiefnemers (in de meeste gevallen projectontwikkelaars) ligt, want de bal ligt evengoed in de handen van politiek en bestuur én de gebruikers van gebieden. Binnen deze ‘driehoek’ moet het gebeuren en daarbij moet constant worden gezocht naar gezamenlijke belangen of moet duidelijkheid worden geboden over waar de belangen van elkaar afwijken. Dit begint bij goed zicht op wie welke belangen heeft, welke bezwaren er leven, welke voor- en tegenargumenten er zijn en welke rollen binnen de driehoek ingevuld dienen te worden. Vervolgens moet je, binnen de driehoek, de échte gesprekken met elkaar durven voeren en vooral, knopen durven doorhakken. Duidelijkheid is ook wat waard.

In ieder geval moet iedereen binnen deze driehoek beseffen dat de rollen inwisselbaar zijn. Tenslotte geldt voor de projectontwikkelaar dat hij of zij ook bewoner is, net zoals dat voor de bestuurders geldt. De gebruikers moeten beseffen dat op de plek waar ze nu wonen, werken of recreëren niet altijd een huis, een kantoor of een park is geweest en dat de bestuurder die een maatschappelijk vraagstuk poogt op te lossen, democratisch gekozen is en dus recht van spreken heeft. Bovenal moet iedereen beseffen dat we elkaar maar alvast moeten dwingen om beter te worden in dit soort samenwerkingen en bruggen bouwen, want als in 2021 de nieuwe Omgevingswet in werking treedt, dan kan het twee kanten op: nog veel meer vertraging óf kwalitatief betere initiatieven die soepeler van de grond komen. Uiteindelijk is iedereen gebaat bij dat laatste. Op naar de YIMBY: de Yeah In My Back Yard! In alle overige gevallen, helpen wij eenieder binnen de driehoek graag verder op weg met het voeren van de echte gesprekken, het vinden van de juiste toon en het bouwen van de juiste bruggen.

Gezonde verstedelijking in opmars

31460804413_8837139056_b.jpg

Cartesiusdriehoek wordt Blue Zone met duizenden woningen” kopte DUIC twee maanden geleden. We hebben het hier over een gebied in Utrecht, direct gelegen tegen station Zuilen en vlakbij het centrum, dat de gezondste wijk van Nederland moet worden. En deze wijk is niet de enige die dit stempel wil dragen, ook in Groningen wordt deze wens voor de wijk ‘Selwerd’ al uitgesproken. Langzaamaan zien wij dan ook dat overheden, projectontwikkelaars en bouwers steeds meer gehoor geven aan de oproep van april 2018 van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) om gezondheid meer een plek te geven in (gebieds)ontwikkelingen en hier gezamenlijk in te investeren. Duurzaam verstedelijken alleen is niet meer genoeg. Gebiedsontwikkelingen moeten nu ook ten gunste komen van ontmoeting en bovenal gezondheid.

Wat verstaan we onder gezonde verstedelijking?
Gezonde verstedelijking zien wij als het creëren van een leefomgeving zodanig dat deze uitnodigt tot het vertonen van gezond gedrag. Oftewel: het ontwerpen en dusdanig inzetten van functies met als doel om positieve effecten op de gezondheid optimaal te benutten. Daarbij draait het niet alleen om de positieve objectieve effecten (dalingen van sterftecijfers of in het aantal doktersbezoeken), maar ook juist om de bijkomende subjectieve effecten: het ‘geluksgevoel’ dat burgers in hun leefomgeving ervaren. De zogenaamde ‘Blue Zones’ zijn hiervan het ultieme voorbeeld. Het zijn een vijftal plekken ter wereld waarvan is aangetoond dat mensen aantoonbaar langer leven. Er is vooral door ontdekkingsreiziger Dan Buettner, in zijn boek “The Blue Zones: Lessons for Living Longer From the People Who’ve Lived the Longest” uit 2008, gezocht naar de gemeenschappelijke kenmerken van deze plaatsen. Dit zodat ook elders een filosofie met deze kenmerken kan worden ingericht. Deze vijf plekken dienen dan ook als basis voor nieuwe pilots van innovatieve gebiedsontwikkelingen, waar gezondheid met stip op nummer 1 staat.

Een andere manier van kijken
Het creëren van een ‘gezonde leefomgeving’ vraagt om slimme oplossingen en een andere manier van kijken. Natuurlijk blijven thema’s als bereikbaarheid, klimaat, programma (een goede, gevarieerde functiemix) en energie vanzelfsprekend relevant, maar de gezonde verstedelijking gaat nog een stapje verder. In plaats van functioneel kijken, gaat het veel meer om de sociale component. Enkele voorbeelden zijn het zorgen voor voldoende ontmoetingsruimten (waardoor community’s in wijken kunnen ontstaan en renderen) en het creëren van een gezonde mindset en voedselomgeving (met voldoende plantaardige producten). Maar ook door ruimte te geven aan flora en fauna - zoals het aanleggen van stadstuintjes en parken - in de stad, wordt de objectieve gezondheid én de gezondheidsperceptie bij inwoners in een gebied verhoogt. Dit vraagt van overheden om een plan niet alleen te beoordelen op haar esthetiek en kosten, maar vooral ook op de gezondheids- en sociale effecten. Wat ons betreft is het de hoogste tijd dat projectontwikkelaars bijvoorbeeld met voorstellen gaan komen om sportvoorzieningen integraal onderdeel uit te laten gaan maken van de openbare ruimte. Door groene- en recreatieve fietsroutes in de omgeving te verbinden, wandel- en hardlooprondjes uit te zetten en/of collectieve sportvoorzieningen in naast gelegen parken te realiseren.

Gezonde verstedelijking versus verdichting
Maar hoe verhoudt deze trend van gezonde stedelijke ontwikkeling zich tot de wens om verder te verdichten? Randstedelijke gebieden focussen zich daarbij met name op het toevoegen van woon- en werkprogramma’s rondom de belangrijkste OV-knooppunten. Het openbaar vervoer is in hartje centrum immers vlotter, milieuvriendelijker en ontlast bovendien het toenemende capaciteitsprobleem op de (snel)weg. Recente ontwikkelingen in verdichting zijn gericht op ‘Bouwen boven het spoor’.

In onze optiek is gezondheid in deze opgave een onderbelicht thema. Mensen staan ’s ochtends op, stappen de lift in, komen direct uit op het station, kopen een snelle hap bij een van de vele voorzieningen, stappen de trein in, stappen bij wijze van spreken op de Zuidas uit, om vervolgens 100 meter verderop alweer in de lift te stappen om plaats te nemen achter hun bureau. Daar zitten ze het grootste deel van de dag om vervolgens aan het eind van de dag, zonder nauwelijks inspanning weer thuis te komen.

Nu zijn wij niet radicaal tegen ideeën over verdere verdichting zoals ‘bouwen boven het spoor’, want ook wij zien er de voordelen van. Het zijn zeer centraal gelegen gebieden - met een zee aan ruimte - die vele malen effectiever benut kunnen worden. De uitdaging zit hem er wat ons betreft in hoe overheden, projectontwikkelaars en bouwers ervoor zorgen dat stedelingen zelf niet ‘verdichten’, maar ook in de steeds dichter bevolkte wijken en gebieden gezond en vitaal blijven.

Find a way, or make one.

Wat doe je als je de vraag krijgt van een gebiedsontwikkelaar die een plan wil realiseren op een terrein dat niet past binnen het vigerende bestemmingsplan én niet past in het provinciaal en gemeentelijk beleid én niet op steun van de omgeving kan rekenen?

Niet aan beginnen denkt u wellicht, maar voor ons vormen dergelijke vraagstukken juist de kern van ons werk. Daarom werken we bij Dietz: voor complexe vraagstukken moet u juist bij ons zijn.

Wat gebeurt er binnen ons kantoor als wij zo’n vraag krijgen?

Allereerst gaan we kijken welke collega’s we bij de vraag gaan betrekken. Vaak zijn voor dergelijke vraagstukken meerdere disciplines nodig; omgevingsmanagement, alliantiemanagement, branding en positionering. Allemaal disciplines die we als bureau in huis hebben. We beginnen dan ook vaak met het samenstellen van een multidisciplinair team.  Sinds kort hebben we ook een architect in huis, die ons kan helpen om concepten te visualiseren of bestaande concepten te herpositioneren.  

Vervolgens gaan we een stakeholdersanalyse uitvoeren, waarbij we;

  • Het bestaand beleid inventariseren;

  • De politieke situatie in beeld brengen (welke partijen in college, inhoud college- en individuele verkiezingsprogramma’s, welke partijen hebben in het verleden over dit onderwerp moties/amendementen ingediend;

  • In kaart brengen wie de voor- en tegenstanders zijn of kunnen worden en welke belangen zij mogelijk hebben;

  • Onderzoeken wat hierover al in de (social)media/vakliteratuur is verschenen;

  • Verder kijken we ook of er andere ontwikkelingen zijn die de gewenste ontwikkeling ondersteunen, zoals bijv. de bouw van een nieuwe school, de aanleg/uitbreiding van een treinstation in de omgeving, enz.;

  • Ook kijken wij naar ons groot zakelijk en persoonlijk netwerk, wie kennen we er, wie kunnen we benaderen voor meer informatie, wie kan onze inzet eventueel ondersteunen, etc.

En dan gaan we aan de slag met mailen, bellen, gesprekken voeren, kopjes koffiedrinken, bijeenkomsten organiseren, multi-mediacampagnes voeren en vooral partijen met elkaar in verbinding brengen. Dit doen we soms achter de schermen, maar soms ook gewoon ervoor.
Dit alles met het uiteindelijk doel om (bestuurlijke en maatschappelijke) weerstand om te buigen in meerwaarde, zodat er echt draagvlak ontstaat voor het plan. Elk haakje dat we hebben gevonden gebruiken we. Dus niet one-way, maar maatwerk; The Dietz-way.

Tien partijen tekenen voor Techniek Experience Center in Overvecht

IMG_5175.JPG

Maandag 15 april ondertekenden acht marktpartijen, ROC Midden-Nederland en de Gemeente Utrecht een ‘deal’ om samen Techniek Experience Center te bouwen in Overvecht. Tijdens de Dealmakersdag maakten Utrechtse bestuurders, directieleden en professionals van bedrijven, onderwijsinstellingen en overheden afspraken om het onderwijs en de arbeidsmarkt te stimuleren en te zorgen voor een goede aansluiting tussen die twee.

 Initiatiefnemers en betrokkenen zetten daarvoor hun handtekening op verschillende deals: concrete afspraken die het onderwijs en de arbeidsmarkt in Utrecht moeten stimuleren. Ruim baan voor leraren, Opleiden voor digitale beroepen en de energietransitie, de opschaling van Bouw is Wouw, het MBO Actieplan, het ZorgPact en Techniek Experience Utrecht zijn een greep uit de bijzondere deals die op de drukbezochte Dealmakersdag bekrachtigd werden.

Luc Dietz zette samen met Eneco, Heijmans, AM, Singel PD, Portaal, Gamma, Bouwmensen, Gemeente Utrecht en ROC Midden-Nederland zijn handtekening op het convenant van Techniek Experience Center Utrecht, een idee dat Dietz zelf initieerde tijdens een themadiner van Samen voor Overvecht. Samen met alle aanwezige partijen streeft Dietz Strategie & Communicatie ernaar om in september een eerste versie te openen van TEC Utrecht, de plek waar jeugd en jongeren worden geïnspireerd om te bouwen aan de toekomst.

In Overvecht is de werkloosheid onder jongeren relatief hoog. Met het vooruitzicht van een aantal grote investeringen in de wijk biedt een loopbaan in de bouw en techniek een duurzaam arbeidsperspectief. Samen met de bouw- en techniekbranche, de gemeente en het onderwijs zorgt TEC Utrecht voor een beter imago van de bouw en techniek en een kleinere mismatch op de arbeidsmarkt. 

Frans van Seumeren bezoekt Dietz

Frans van Seumeren is een leider met een indrukwekkend CV, maar las nog nooit een boek over leiderschap, “het is pure intuïtie, ik doe heel veel op intuïtie”. De inmiddels 68-jarige eigenaar van FC Utrecht oogste in 2001 wereldwijde bewondering door succesvolle berging van de Koersk, een Russische onderzeeboot. En dat terwijl zijn bedrijf Mammoet nog nooit één schip had geborgen. Op vrijdagmiddag 5 april was hij te gast bij Dietz, waar hij door directeur Luc Dietz en collega’s werd geïnterviewd.

Ondanks al zijn zakelijk succes vindt Van Seumeren zichzelf meer een leider dan een ondernemer. Leiderschap draait volgens hem om sociale intelligentie, intuïtie en voorbeeldgedrag. “Een leider moet geaccepteerd worden door z’n omgeving, en het krachtenspel kunnen inschatten. Als het moeilijk wordt, moet je ervoor zorgen dat iedereen vooruit gaat, en niemand afvalt”.

Frans van Seumeren 1.png

Cultuur is allesbepalend voor succes
Naast leiderschap gaat het in bedrijven volgens de ras-Utrechter vooral om cultuur. En daar heeft hij een duidelijke mening over, “cultuur wordt bepaald aan de top, en vandaar sijpelt het de rest van de organisatie in”. Cultuur is volgens Van Seumeren zelfs allesbepalend voor succes. Succes bindt mensen bovendien samen. Met snelle zakenjongens in mooie pakken heeft hij nooit iets gehad. Het gaat voor hem om mensen, en hen te bewegen tot succes. Zíj maken het bedrijf.

Het ondernemen karakteriseert de familiegeschiedenis van Van Seumeren. Zijn beide opa’s waren erg succesvol in het zaken doen. De één, opa Jongerius – die van Villa Jongerius – werd van een eenvoudige tuinder groot in constructie en carrosserie. De ander, ook Frans van Seumeren, wist zijn handel in oud ijzer heel groot uit te bouwen. De opa’s waren beide ondernemer in Utrecht. En vrienden van elkaar. Beide werden ze niet oud, in de vijftig.

Hoe katholiek de voorouders van Frans van Seumeren ook waren, zelf is hij niet meer gelovig. Bij de paters had hij geen fijne tijd. Maar toch heeft hij de normen en waarden meegenomen. Dat zag hij bijvoorbeeld in de gastvrijheid van zijn ouders, “personeel was voor mijn ouders bijna nog belangrijker dan hun eigen kinderen. Iedereen mocht altijd mee-eten. Regelmatig zaten we met 20 man aan tafel”. Wat hij ook uit het geloof heeft meegenomen zijn de noties van barmhartigheid, en geloof, hoop en liefde.

Frans van Seumeren 2.png

Van Seumeren Kraanbedrijf
Via allerlei omwegen liep het zo dat de familie Van Seumeren in de kranen ging. Frans heeft als jongen zelf ook nog wel op een kraan gezeten, toen hij 16 was. Maar dat vond hij maar niets. Uiteindelijk werd hij zelf CEO van Van Seumeren Kraanbedrijf. Samen met zijn broer Jan, en later zijn zus, want er moest ook goed op het geld gelet worden. Onderling was er nooit discussie over wie de leider was. Dat was Frans, en daar was nooit onenigheid over. Hij had immers het meest geleerd, sprak de talen, “ik was een leidertje”.

Van Seumeren Kraanbedrijf was erg succesvol, en groeide steeds door. Waarom dan toch Mammoet overnemen? Van Seumeren: “We groeiden als lokaal bedrijfje in De Meern uit tot één van de grootste bedrijven. We hadden maar één concurrent, dat was Mammoet”. Door de overname kreeg Van Seumeren 70% van al het zware kraanmaterieel in handen en daarmee en monopolie-positie. Het werk kwam voor het uitkiezen, tegen de prijs zoals ze die wilden.

De grootste reden voor het succes van Van Seumeren werd ook bijna zijn afgrond. “Ik ging altijd tot het randje van financiële mogelijkheden. Tot het uiterste gaan om te lenen, om vervolgens de investering te kunnen doen waarvan ik dacht dat die succesvol was”. Maar toen het bedrijf in 1982 in een crisis raakte en het werk opdroogde, werd het heel penibel met zoveel vreemd vermogen. Toch gaf de bank extra krediet, en kwam er een grote opdracht van Esso. De weg omhoog was weer ingezet.

Uit de anekdote over de naam van het bedrijf blijkt hoezeer Van Seumeren oog heeft voor het belang van cultuur in een bedrijf. De firma Van Seumeren was dan wel de kopende partij, toch bleef het overgenomen bedrijf Mammoet heten. Dat was om twee redenen, vertelt Van Seumeren. “het was een geste naar de mensen van Mammoet. Zo konden zij bij hun trots blijven.” Maar ook was de naam Mammoet al internationaal bekend. De kleuren werden wel die van Van Seumeren, dat was weer een geste naar ‘onze mensen’.

Operatie Koersk
Het ophijsen van de Koersk sprak enorm tot de verbeelding, en was zeker geen onverantwoord gekkenwerk volgens Van Seumeren. Hoewel het bedrijf nog nooit een berging had gedaan, en nog nooit een klus op zee, waren ze er toch van overtuigd de Koersk naar boven te kunnen halen. “Omdat het een kernonderzeeër was, moest de boot voorzichtig omhoog gehesen worden. En dát konden wij wel. We hadden het meeste kennis over ophijsen ter wereld. “

Van Seumeren was al actief in Rusland, en slaagde er na een eerste afwijzing in alsnog de klus te krijgen. Met álle vraagstukken van dien. De kosteninschatting bijvoorbeeld. Dagprijzen zijn nog wel uit te rekenen, “maar het gaat om de inschatting hoe lang het duurt, dat kan een machine je niet vertellen, dat is puur fingerspitzengefuhl”, aldus Frans.

Hoewel de Russische cultuur anders is dan die van Nederland, was dat voor Van Seumeren geen probleem. “De Russen gaan van de persoon uit, wat voor vlees heb je in de kuip. Dat is veel belangrijker dan de precieze prijs.” Van Seumeren moest wodka drinken, de sauna in, in een ijskoud gat in het water, op jacht in de vrieskou, en ga zo maar door. “Als je dat doorstaat word je geaccepteerd als vriend. Zo niet, dan krijg je of de opdracht niet, of ze kleden je uit.”

Met zijn Russische counterpart Spassky had Van Seumeren een hotline voor wanneer er zich problemen voordeden. Ze hebben elkaar zo’n 5 of 6 keer gebeld in zo’n situatie. De daadwerkelijke berging was nog erg spannend. Er was vertraging omdat de kop van de onderzeeër er aanvankelijk niet goed afging, die moest namelijk op de bodem achterblijven. Uiteindelijk konden ze hijsen, in de nacht van 5 op 6 oktober 2001. Met Spassky dronk Van Seumeren samen een fles wodka op toen de klus geklaard was.

Naast een zakelijke uitdaging, was het zinken van de Koersk vooral een enorm menselijk drama. 118 mensen vonden de dood. Onlangs is er een film gemaakt. Wat deed dit menselijke aspect met Van Seumeren? “Mijn dochter heeft nog geprobeerd in contact te komen met de weduwen, maar dat werd afgeschermd. We hebben nog een krans gelegd, en zijn naar een herdenkingsdienst toe geweest.”

Heeft Van Seumeren ooit zijn morele grenzen moeten verleggen? Wat zijn mensen betreft, nooit, zegt hij. Maar wát morele grenzen zijn wordt bepaald door een samenleving, vindt Van Seumeren. “Je hebt wit, zwart en daartussen een grijs gebied. In ieder land is dat grijze gebied groter of kleiner dan in het andere land. Dus binnen wiens morele grenzen past iets wel of niet? Als je niet begrijpt hoe morele grenzen bij je tegenpartij liggen, moet je internationaal geen zaken gaan doen”.

Frans van Seumeren 3.png

FC Utrecht
Aan het eind van het interview gaat het ook nog even over FC Utrecht. Want als er ergens een cultuurverandering nodig was, was het daar. Dat heeft Van Seumeren veel tijd gekost. Veel mensen zagen de club als hobby, niet als werk. Inmiddels werken er niet meer zoveel mensen die er in de begintijd na zijn aankoop van club ook al werkten. Van Seumeren heeft de cultuuromslag in gang gezet, en mensen in de top gezet die zijn visie op succes delen.

De relatie met de gemeente Utrecht wordt langzaam beter, waar dat in het verleden nog slechter was. Van Seumeren: “de gemeente gaat steeds beter begrijpen dat een voetbalclub een belangrijke rol speelt in de gemeenschap. Na de recente schietpartij gingen de ogen open, dan zie je wat een club voor mensen betekent”.

 We bedanken Frans van Seumeren voor zijn komst naar ons kantoor en zijn open verhaal!

 

Nieuwe senior adviseur bij Dietz: Jim Wouda

_VLL7732 (1).jpg

Jim Wouda heeft zich als senior adviseur vast verbonden aan Dietz Strategie & Communicatie. Wouda zal bij Dietz opdrachtgevers ondersteunen bij het verwerven van draagvlak in het publieke domein. Behalve het adviseren van overheden, zal hij ook bedrijven helpen hun reputatie te versterken, onder meer door stakeholdermanagement en (her)positionering.

Wouda voert sinds drie jaar een eigen praktijk in strategische communicatie, daarvoor was hij meer dan twintig jaar verbonden aan Ketchum (voorheen Pleon/Schoep & Van der Toorn) waarvan bijna 15 jaar als directielid. Hij adviseert overheden bij programma’s op het gebied van ruimtelijke ordening, infrastructuur en veiligheid. Ook ondersteunt hij bedrijven in de zakelijke en financiële dienstverlening bij crisissituaties en reputatievraagstukken, en bij het betreden van nieuwe markten of introducties van nieuwe producten.

Wouda: ‘Bij Dietz werk ik samen met collega’s op projecten die ertoe doen, in het hart van het publieke domein. Ik zie uit naar de samenwerking op complexe projecten: voor opdrachtgevers concrete oplossingen zoeken en te werken aan het vergroten van maatschappelijk draagvlak’.

Deze stap betekent voor hem ook een hernieuwde samenwerking met Luc Dietz. Dietz was eerder in zijn carrière enige tijd manager marketingcommunicatie/vastgoed bij Schoep & Van der Toorn. ‘We delen dezelfde fascinatie voor het publieke domein en initiatieven op het vlak van ruimtelijke ordening’, aldus Wouda. ‘Inzet van strategische communicatie kan daarbij daadwerkelijk het verschil maken’.

Luc Dietz: ‘Met Jim Wouda versterken we ons senior team en zijn we nog beter in staat bestuurders en directieleden te ondersteunen bij hun complexe vraagstukken. Bij ons werken adviseurs aan nieuwe, verrassende strategische allianties waardoor opdrachtgevers hun baanbrekende initiatieven daadwerkelijk kunnen realiseren. Deze vraag zien we de komende tijd alleen maar toenemen en daar kunnen we de kennis en ervaring van Jim goed bij gebruiken. Ik kijk uit naar onze nieuwe samenwerking!’

Betrek mensen met spoed bij de Energietransitie

karsten-wurth-inf1783-104731-unsplash.jpg

De uitslag van de Provinciale Staten verkiezingen zal zowel in Den Haag als in de provincies nog lang nadreunen. Dat Forum voor Democratie direct de grootste partij zou worden in de Eerste Kamer als in verschillende provincies, was ook voor de partij zelf een grote verrassing.

Natuurlijk zijn er veel verschillende verklaringen voor het succes. Maar de belangrijkste lijkt het klimaatstandpunt van Forum. De spotjes waarin werd verkondigd dat het klimaatakkoord iedereen klauwen vol met geld gaat kosten terwijl het helemaal niets oplevert waren voor veel mensen overtuigend.

Dat voor het Klimaatakkoord draagvlak nodig is, daarvan was eigenlijk iedereen allang overtuigd. Niet voor niets is Ed Nijpels aan het werk gezet om verschillende klimaattafels te organiseren. Voor heel bestuurlijk en maatschappelijk Nederland was een plek. Tragisch genoeg heeft dit grote bestuurlijke circus er wellicht eerder toe geleid dat veel Nederlanders op grote afstand stonden van dit hele proces. Hoe vol de tafels ook waren, veel mensen zullen zich niet vertegenwoordigd voelen. Bij veel mensen zal de indruk zijn blijven hangen dat er over hen wordt beslist terwijl ze wel mogen opdraaien voor de rekening.

Welke invloed de verkiezingen gaan krijgen op het Klimaatakkoord is moeilijk te voorspellen. Maar het lijkt er nog steeds op dat het half juli ondertekend wordt. Veel onderdelen van het Klimaatakkoord moeten vervolgens uitgewerkt gaan worden in 30 regio’s waarin provincie, gemeenten en waterschap het bestuurlijke voortouw hebben. In zogenaamde Regionale Energie strategieën (RES) moeten gezamenlijke plannen worden gesmeed voor duurzame elektriciteitsopwekking en duurzame bebouwing. Met grote Forum voor Democratie-fracties in Provinciale Staten is dat niet eenvoudiger geworden en zal de discussie verder verscherpen.

In de regio’s worden de nodige voorbereidingen getroffen voor de uitvoering van de RES. Ook in de regio’s hoeft niemand overtuigd te worden dat ‘draagvlak’ noodzakelijk is. Maar ook in de regio’s loert het gevaar dat een bestuurlijk circus wordt opgetuigd waar mensen zich nauwelijks betrokken bij voelen. De ervaring leert dat het al een flinke klus is om te zorgen voor bestuurlijk draagvlak en het betrekken van maatschappelijke partijen, en individuele burgers hebben geen plek in deze bestuurlijke oploopjes. Dat is vanuit pragmatisch oogpunt begrijpelijk, maar opnieuw dreigt dus het gevaar dat er veel energie wordt gestoken in ‘draagvlak’ met gebrekkig resultaat.

Om dit te voorkomen de volgende aanbevelingen:

  • Zorg er voor dat je niet alleen maar in gesprek komt met de ‘usuals’ maar ook met de sceptici;

  • Kies heel bewust nieuwe manieren om burgers te betrekken bij besluitvorming, bijvoorbeeld door het gebruik van social media, local hero’s of digitale tools;

  • Neem zorgen die je hoort serieus en geef mensen ook ruimte zelf oplossingen te bieden;

  • Staar je niet blind op het onderlinge bestuurlijke proces maar leer van succesvolle voorbeelden van een ander. Die zijn er genoeg. Zo zijn er in Nederland woningcorporaties die op slimme manieren zonnepanelen zijn gaan financieren voor hun huurders. Omwonenden van potentiële windparken werden een stuk enthousiaster toen men de mogelijkheid kreeg om financieel mee te profiteren van de opbrengst. En als mensen de mogelijkheid krijgen om bij overlast windmolens uit te zetten, zie je ook dat bezwaren verdwijnen;

  • ·Wees eerlijk over de energietransitie maar maak mensen ook niet onnodig bang. Het verminderen van CO2 uitstoot is een zaak van lange adem waarbij we voor sommige acties de tijd hebben tot 2030 en voor veel onderdelen zelfs tot 2050. Niet iedereen hoeft volgend jaar aan de warmtepomp. En er zijn nog zo veel alternatieve manieren om bij te dragen. Gelukkig maar, want het zou ook niet kunnen. Het ontbreekt bijvoorbeeld nog aan voldoende personeel, om maar iets te noemen.

Dit soort aanbevelingen zijn absoluut niet uitputtend of nieuw. Maar de PS-verkiezingsuitslag maken dit soort inzichten wel urgenter. Waar gesproken wordt over draagvlak is het ‘alle hens aan dek’ om er voor te zorgen dat mensen zich daadwerkelijk betrokken voelen. Laat het betrekken van burgers nu net één van de speerpunten van Forum zijn. Een kans voor open doel om er samen uit te komen.

Remco Dolstra

Vertrouwen is bouwen

WhatsApp Image 2018-12-21 at 17.30.56.jpeg

De woningbouw in Amsterdam onder de loep

Amsterdam is nog altijd een populaire stad om te wonen, werken en te recreëren. En als je kijkt naar de ontwikkeling van de samenleving die enerzijds in een rap tempo vergrijst en anderzijds steeds verder individualiseert neemt die populariteit alleen maar verder toe. Daarnaast heeft de positionering van de stad met I Amsterdam de afgelopen jaren ook een aantrekkende werking gehad op de stad. Dat is allemaal goed voor de stad, maar brengt ook uitdagingen met zich mee. De stad moet namelijk groener en duurzamer worden en tegelijk leefbaar, veilig en aantrekkelijk blijven voor alle doelgroepen. Daarbij neemt niet alleen de vraag naar voorzieningen toe, ook wordt de roep naar betaalbare woningen steeds groter. Omdat er de afgelopen jaren te weinig middenhuur is gebouwd, is er vooral daar krapte ontstaan. Voor de bouw- en vastgoedsector liggen hier dus kansen zou je zeggen. Want ook zij erkennen dat de vraag en behoefte naar (middenhuur) woningen groot is. Maar waar liggen dan precies de uitdagingen? Zitten de markt en de gemeente wel voldoende op een lijn? De stad versus de markt.

Maakbare stad
In de woonagenda 2025 spreekt de gemeente Amsterdam de ambitie uit om in 2025 voldoende, betaalbare en goede woningen te hebben om de krapte op de woningmarkt aan te pakken.  De gemeente streeft daarbij naar een ongedeelde stad waarin iedereen ongeacht kleur, afkomst en financiële situatie moeten kunnen samenleven. De gemeente wil daarom in nieuwe wijken bouwen volgens het 40-40-20 principe: 40 procent sociale huur, 40 procent gereguleerde middeldure huur en 20 procent dure huur/koop. Er zijn daarbij echter wel een paar opmerkingen te maken. In een evenwichtige woningmarkt zou het economisch gezien niet uit moeten maken of men koopt of huurt. Dus waarom alleen inzetten op huur in het sociale- en middensegment? Verder zijn de grondprijzen in Amsterdam nog altijd ongekend hoog en zijn de eisen van de gemeente fors. Woningen moeten niet alleen duurzaam zijn, maar ook veilig, energiezuinig en goed voor de gezondheid. En een significant deel van de nieuwe woningen in het middensegment moet groter zijn dan 70 m², zodat er niet alleen voldoende betaalbare maar ook genoeg grotere woningen worden gerealiseerd.

Ontwikkelende markt
Al deze ambities samen maken het er voor de projectontwikkelaars en investeerders niet makkelijker op. Hoge grondkosten en strenge eisen maken de kansen op het realiseren van rendement in het middensegment minimaal, want ook de bouwkosten zijn de laatste jaren geëxplodeerd. Hier komt bovenop dat de gemeente de uitpondtermijn voor sociale en middeldure huur heeft verlengd. Dit zet beleggers dermate onder druk dat investeren weinig zin heeft. En als dat nog niet genoeg is, blijkt de grond waarop gebouwd moet worden vaak vervuild en moet de hele infrastructuur van elektriciteit, riolering en internetkabels nog aangelegd worden. Al snel loop je de kans om tijdens de omvangrijke procedures die hierbij komen kijken vertraging in je project op te lopen. Hiervoor dienen allemaal kosten gemaakt te worden, nog voordat er überhaupt één steen gelegd is. Bij de oplevering van het project zullen die kosten dus terugverdiend moeten worden. Maar als dat niet meer lukt, trekken ontwikkelaars zich terug en blijven beleggers op afstand en gaan ze zich richten op andere steden. De rekensom komt niet meer uit. De duurzame en op het oog sociale intenties van de gemeente Amsterdam resulteren dan in een nog onevenwichtigere verdeling op de woningmarkt en belemmeren de doorstroom.

Om de stad en de markt weer dichterbij elkaar te brengen zie ik grofweg drie oplossingen:

1.       Samenwerking
Zolang zowel de gemeente als de markt voor maximalisatie van de eigen opbrengst blijven gaan, zal er onvrede tussen beide partijen blijven bestaan. Ergens moet deze vicieuze cirkel dus worden doorbroken. Immers, bottom line hebben zowel de markt als de gemeente eenzelfde doel voor ogen: voldoende woningen bouwen, gericht op de doelgroepen waar de behoefte het grootst is. Hiervoor moet het vertrouwen tussen overheid en marktpartijen terugkomen. Het versnellen van processen begint immers altijd bij wederzijds begrip en voldoende (gedeelde) kennis en kunde. Dit vergt echter een andere houding van zowel de markt als de gemeente, waarbij afspraken gemaakt moeten worden over communicatie en transparantie in beleid en beleidskeuzes. Alleen als er wederzijds vertrouwen  en begrip is kunnen integrale afspraken worden gemaakt over hoe de stad echt duurzaam kan worden en kan snelheid in de woningbouwproductie worden gemaakt. Duurzaamheid gaat namelijk  verder dan alleen afspraken over het klimaat en energie; duurzaamheid betekent ook dat de gebouwde omgeving een relevante functie blijft hebben. Dat mensen in die omgeving willen blijven wonen en anderzijds de omgeving aan blijft sluiten bij de behoefte. Hiervoor is flexibiliteit nodig en een algemeen besef dat vastgoed er over 100 jaar nog steeds staat. Bovendien kunnen de kaarten ook zomaar weer anders zijn geschud op het moment dat de economie weer inzakt. Oftewel: wordt er wel voldoende rekening gehouden met de fluctuaties in de economische conjunctuur? In 2019 lijkt het volgens economen gedaan met de turbogroei van de afgelopen jaren. Krijgt de markt het dan weer voor het zeggen of juist  extra voor de kiezen? Een beleidsvisie op lange termijn kan deze golfbeweging afvlakken.

2.       Lange termijn visie
Immers voor zowel de markt als de stad is het van belang om een lange termijn visie te hanteren die bestuursperiodes overstijgt en dus niet gebonden is aan politieke schommelingen. De huidige bestuursperiode, die om de vier jaar wijzigt, staat namelijk op gespannen voet met het feit dat projecten – zeker in tenderprocedures – deze termijnen overschrijden. Bovendien is het huidige beleid erop gericht om de huidige schaarste op te lossen, maar duurt het nog zeker twintig jaar voordat alle gewenste 50.000 woningen zijn opgeleverd. Daarmee los je de huidige problematiek op de woningmarkt niet op. Marktpartijen hebben zekerheid op de lange termijn nodig om te kunnen investeren. Als ze die zekerheid krijgen, zijn ze waarschijnlijk best bereid om met een lager rendement genoegen te nemen. De gemeente kan daarentegen tegemoet komen door de grondprijzen te verlagen. Op die manier lever je allebei wat in om gezamenlijk het gewenste resultaat te bereiken. Belangrijk daarbij is om altijd goed te blijven kijken naar de werkelijke behoefte die er in de stad is, nu, maar ook in de toekomst. Demografisch gezien bereiken we in 2030-2040 de piek van het aantal inwoners in ons land. Zijn alle woningen dan nog wel nodig en met name, aan welk type woningen is dan vooral behoefte? Je zou dus ook kunnen denken aan het realiseren van meer flexibele en aan veranderende woonwensen aanpasbare woningen, omdat de woningbehoefte gedurende de jaren verandert.

3.       Integrale benadering
Tot slot moet er ook meer integraal worden gekeken naar de woningmarkt, omdat de woningmarkt niet op zichzelf staat. Uiteindelijk gaat het over het leefbaar houden van de stad en daar zijn ook andere voorzieningen voor nodig. Denk hierbij aan voldoende onderwijs, cultuur, winkels, een goede bereikbaarheid en gezonde leefomgevingen door voldoende groen en natuur. Je kunt deze ontwikkelopgaves ook slim combineren door bij een ontwikkeling van retail of bedrijventerreinen, ook verplicht bij te moeten dragen aan de woningbouwproductie. Op die manier kun je slim ergens anders je rendement maken. Maar bovenal moet Amsterdam verder kijken dan zijn eigen gemeentegrenzen, en haar focus verleggen naar de Metropool Regio Amsterdam (MRA). De oplossing voor de nabije en latere toekomst ligt hem in dat gebied. Zowel voor de snelheid, de duurzaamheid en de infrastructurele opgave.

Jorinke Vos

 

PERSBERICHT: Dietz Strategie & Communicatie scoort goed in 2018

Opdrachtgevers lovend en Top 3 notering MT Top 1000 professionele dienstverleners

Dietz Strategie & Communicatie kan haar dertiende jaar niet gelukkiger afsluiten dan met prachtige resultaten uit een door Motivaction uitgevoerd klanttevredenheidsonderzoek en de derde plaats in de Top 1000 professionele dienstverleners van het magazine Management Team. Directeur Luc Dietz: “2018 is een heel intensief jaar voor ons bureau geweest met prachtige uitschieters en dit is de kroon op ons jaar!”

Voor het eerst heeft Dietz dit jaar het gerenommeerde bureau Motivaction de tevredenheid onder al haar opdrachtgevers laten onderzoeken. Uit dit kwalitatieve onderzoek blijkt dat opdrachtgevers Dietz waarderen om haar strategische kennis, netwerk en doorzettingsvermogen bij ingewikkelde politiek-bestuurlijke trajecten in de regio. Men geeft ook aan dat je voor eenvoudige opgaven minder goed terecht kan bij Dietz. Oprichter en directeur Luc Dietz vindt dit een prachtige uitkomst: “Dit is precies hoe we ons positioneren op onze werkterreinen bouw, vastgoed, ruimtelijke ontwikkeling, infrastructuur, veiligheid en energie. En gelukkig komen er ook een paar mooie leerpunten uit het onderzoek. We kunnen onze wijze van rapporteren nog verder verbeteren en opdrachtgevers willen ons nog beter leren kennen. Daar gaan we aan werken!.”

Voor de derde keer staat Dietz in de categorie communicatieadviesbureaus in de top-3 in de MT Top 1000 professionele dienstleners. Sinds 2001 doet de Erasmus Universiteit dit onderzoek voor MT en daarbij worden 2500 managers gevraagd naar hun ervaringen met dienstverleners in de laatste drie jaar. Hieruit wordt de lijst van 1000 samengesteld. “Voor ons is dit wederom een fantastisch resultaat”, zegt Luc Dietz. Kijk eens welke bureaus we achter ons laten! En daarbij komt dat de twee mooie bureaus die boven ons geëindigd zijn, niet op onze terreinen actief zijn. Dat maakt de score extra mooi en is een groot compliment aan onze adviseurs waard!”

Dietz Strategie & Communicatie kijkt daarmee terug op een mooi jaar. Luc Dietz: “We hebben flink geïnvesteerd in ons team, onder andere met drie nieuwe teammanagers en vanuit onze eigen Dietz Academy hebben we meer tijd dan voorheen besteed aan het verbeteren van onze eigen kennis. Met alle collega’s hebben we verder nagedacht waar we voor gaan en daaruit is gekomen dat onze mensen echt ’s morgens opstaan omdat iedereen een mooier Nederland verdient. ”

Dit is uw moment om de lokale politiek te beïnvloeden

Stemlokaal_provinciale_verkiezingen_2015_(16668953348).jpg

Elk bedrijf heeft met politiek te maken, direct of indirect. Of het nu lokaal, regionaal of landelijk is, de politiek beslist over de voor u relevante wetten en vergunningen. Hier kunt u als ondernemer flink last van hebben. Het is daarom belangrijk om te zorgen dat de politiek de juiste prioriteiten en informatie heeft, kortom, dat uw public affairs op orde is. Hierbij wordt misschien wel de belangrijkste stap vaak vergeten: invloed op het verkiezingsprogramma.

In maart/april 2019 zijn de verkiezingen voor de Waterschappen, de Provinciale Staten en het Europees Parlement. Voorafgaand aan deze verkiezingen stellen de politieke partijen hun kandidatenlijst op en schrijven ze een verkiezingsprogramma. Het verkiezingsprogramma is een overzicht van de doelstellingen die de partijen tot de volgende verkiezingen willen behalen. Dit is voor de aanstaande politici een belangrijk document. De keuzes die in het verkiezingsprogramma gemaakt worden zijn medebepalend voor het aantal stemmen dat een partij gaat krijgen. Daarnaast is het zo dat partijen worden afgerekend als zij hun verkiezingsprogramma’s niet waarmaken. In het verkiezingsprogramma wordt dus de politieke koers uitgezet voor de komende vier jaar (vijf jaar voor EP).

Alle politieke beslissingen tot aan de volgende verkiezingen worden dus genomen met een schuin oog op het verkiezingsprogramma. Staat daarin dat er meer woningen gebouwd moeten worden? Dan zal een nieuwbouwproject eerder goedgekeurd worden. Is in het verkiezingsprogramma opgenomen dat detailhandel alleen nog in de binnensteden hoort, dan zal er geen nieuw outletcentrum mogen komen. Het verkiezingsprogramma is dus een zeer krachtig middel om invloed uit te oefenen op de besluiten die de politiek gaat nemen.

Op dit moment zijn binnen de politieke partijen de programmacommissies druk bezig met het schrijven van de verkiezingscampagnes. Hoe en door wie verschilt per partij, maar over het algemeen wordt het concept door de leden van de partij goedgekeurd. Als u de komende vier jaar dus iets wilt bereiken, is dit hét moment om te zorgen dat uw punt in het verkiezingsprogramma komt.

Vroeger was het gebruikelijk daarvoor een (standaard) brief van meerdere kantjes te sturen, op mooi briefpapier vol met argumenten en suggesties. Tegenwoordig worden de schrijvers van de verkiezingsprogramma's bedolven onder deze brieven en worden ze nauwelijks nog gelezen. Het is tegenwoordig dan ook veel belangrijker geworden om gebruik te maken van een uw of iemands netwerk. Het is immers veel effectiever als iemand die het oor van de programmacommissie heeft hen iets influistert. Als dat niet mogelijk is, kunt u ook zorgen dat uw onderwerp een maatschappelijk thema wordt, dan zal de programmacommissie daar eerder geneigd zijn iets over op te nemen.

Naast zorgen dat uw boodschap gehoord wordt, is het ook belangrijk dat uw suggestie overgenomen wordt. Belangrijk daarbij is dat u aansluit bij het gedachtegoed van de partij.  De ene partij vindt werkgelegenheid nu eenmaal belangrijker, de andere ruimte voor ondernemers. U framed uw boodschap dus voor elke partij.

Mocht het niet meer lukken om uw inbreng in de verkiezingsprogramma's te krijgen, wees dan niet getreurd. Het volgende moment om uw invloed aan te wenden is wanneer de coalities gevormd worden, net na de verkiezingen. En uiteraard blijft ook tijdens de regeerperiode de mogelijkheid bestaan om de politiek te helpen de juiste beslissing te nemen!

Heeft u vragen over dit onderwerp? Neemt u dan vooral contact met ons op!

Earth Overshoot Day

Earth Overshoot Day. Erik Lievers.jpg

Earth Overshoot Day, de dag waarop we evenveel grondstoffen hebben verbruikt als de aarde in 365 dagen kan produceren, vindt steeds vroeger in het jaar plaats. Dit jaar was dat al op 1 augustus. Ook voor Nederland is er een Overshoot Day berekend. In Nederland, zo blijkt, viel die dag nog vroeger, namelijk al 14 april.

Dat de datum steeds meer opschuift wordt voor een groot deel veroorzaakt door de uitstoot van broeikasgassen. Om die uitstoot te verminderen moeten we onder andere minder vliegen, minder vlees eten en minder auto rijden. Maar ook een versnelde overschakeling naar nieuwe, duurzame energiebronnen kan daar fors aan bijdragen.

Het aandeel hernieuwbare energie in het totale Nederlandse energieverbruik is vorig jaar gestegen naar 6,6 procent. In 2016 was dat nog 6 procent. Daarmee zijn we nog mijlenver verwijderd van de onze nationale doelstelling om het aandeel hernieuwbare energie uit niet fossiele bronnen te laten groeien naar 14 procent in 2020 en uiteindelijk 16 procent in 2023.

De energietransitie zal het landschap de komende twintig jaren ingrijpender veranderen dan ooit. Dat die impact groot kan zijn kunnen we zien in Drenthe, bij de veenkoloniën of in Limburg bij de mijnen. In toenemende mate zal de opwekking van energie nu echter bovengronds en dichter bij huis plaatsvinden. Daarbij is het van belang dat de energietransitie en de landschappelijke kwaliteit elkaar zoveel mogelijk versterken. Dat is een mooi streven, maar in de praktijk soms lastig te realiseren. Daarvoor is de energieopgave wellicht ook te groot.

De discussie over de landschappelijke kwaliteit bij de energietransitie speelt het heftigst bij de plaatsing van windmolens. Bij realisatie van windmolen(parken) moet het uitgangspunt zijn dat deze de lokale gemeenschappen niet langer van bovenaf worden opgedrongen. In de discussies hierover, overigens vaak gedomineerd door de tegenstanders, gaat het nu vooral over de toegepaste techniek en aantallen megawatt. Maar, techniek moet niet leidend maar dienstbaar zijn. Een benadering van onderop, waarbij burgers en lokale bedrijven vroegtijdig worden betrokken en door middel van co-creatie kunnen meedenken en meewerken aan de energietransitieopgave in hun omgeving werkt daarbij vele malen beter. Windmolens kunnen daar overigens een onderdeel van zijn, maar er zijn in sommige gevallen ook voldoende andere alternatieven beschikbaar. Belangrijk is het om alle alternatieven en de ruimtelijke consequenties daarvan goed in beeld te hebben.  

Daarbij is het wel van belang dat lokale en regionale overheden hun verantwoordelijkheid nemen en duidelijke ambities formuleren. Ambities die concreet zijn en waarbij de energiedoelstellingen van de (verre) toekomst vertaald worden in concrete doelen voor de komende jaren. Dus overheid; bepaal het wat en ga met inwoners door middel van co-creatie het hoe en het waar uitwerken.

Als bureau hebben wij inmiddels veel ervaring opgedaan in dit soort trajecten, waarbij we zowel (semi-)overheden als initiatiefnemers steunen in het realiseren van hun ambities.

Daarbij staat voor ons, naast het uitlijnen van een duidelijk en transparant proces en het inzichtelijk maken van de keuzes, het creëren van politiek en maatschappelijk draagvlak voor de ruimtelijke consequenties van de energieambities centraal. Daar kunnen en willen wij u graag bij helpen.     

 

 

.        

 

De eerste stap naar een omgevingsvisie voor Vijfheerenlanden

XOSS0271kopie.jpg

Maandag 13 augustus, we zitten nog midden in de vakantieperiode en het weer is omgeslagen.
Tussen de regenbuien door druppelen de beleidsadviseurs van de nieuwe gemeente
Vijfheerenlanden langzaam binnen. De natte en droge broeken verraden wie met de auto is gekomen en wie is komen lopen vanaf het station.

De uitdaging van de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden

In november vinden er verkiezingen plaats in de gemeente Zederik, Leerdam en Vianen en mogen de inwoners hun nieuwe volksvertegenwoordigers kiezen. Op ambtelijk niveau wordt er al enige tijd druk samengewerkt en vinden er voorbereidingen plaats voor als de nieuwe gemeenten officieel van start gaat. Eén van de grote uitdagingen waar de gemeente voor staat is de invoering van de omgevingswet, te beginnen met het maken van de omgevingsvisie.
De omgevingsvisie is een strategische, integrale langetermijnvisie op hoofdlijnen die de
ontwikkelingen en ambities voor de fysieke leefomgeving van de gemeente vastlegt. Met andere
woorden: waar wil de nieuwe gemeente de komende 20 jaar naartoe, waar liggen de uitdagingen,
wat maakt dat het hier over 20 jaar fijn wonen, werken en leven en wat voor gemeente zijn en
willen we zijn? Het maken van zo’n nieuwe omgevingsvisie is voor iedere gemeente een hele opgave en dus helemaal voor drie gemeenten die op het punt staan te fuseren.
‘Waar beginnen we?’ vroeg de gemeente Vijfheerenlanden zich af. En hoe werken we vanuit 15
verschillende kernen toe naar één gezamenlijk toekomstbeeld en één gezamenlijke identiteit. Een
uitdaging waar wij natuurlijk graag bij helpen.

Na een leuke kennismakingsronde -waarin iedereen zijn of haar beleidsachtergrond torpedeerde als uitgangspunt voor de nieuwe omgevingsvisie- startten we met een quiz waarin de keuzestress werd aangewakkerd: spelen we in op de vergrijzingsgolf of bouwen we voorzieningen voor jonge gezinnen, werken we toe naar gecentraliseerde voorzieningen of voorzieningen per kern? Spelen we in op de (woon)behoeften vanuit Utrecht en op welke onderwerpen varen we onze eigen koers?

Een rode lijn in een bos van Post-its

Toen begon het grote Post-it-plakken-spel, waarin iedereen zich moest uitlaten over de stenen,
genen, kernwaarden en USP’s van Vijfheerenlanden. Er werd gekeken naar de overeenkomsten en
verschillen tussen de drie gemeenten en we gingen op zoek naar het Archetype -een identiteit die aan de basis ligt van ons gedrag– van de nieuwe gemeente. Is Vijfheerenlanden een ontdekker die denkt in mogelijkheden, een verzorger die aandacht geeft of toch de rebel die schopt tegen de status quo?

De mooi ingerichte cursusruimte veranderde langzaam in een geel Post-it-bos waar zich –na enkele verhitte maar faire discussies– langzaam maar zeker een rode lijn begon af te tekenen. Post-its werden gegroepeerd, enkele werden herschreven en sommige in een verdomhoekje gehangen om snel te vergeten. Hierna volgde een schrijfexercitie waarin het verhaal van de gemeente Vijfheerenlanden –de short story– als onderlegger voor de nieuwe omgevingsvisie werd opgetekend. Na een intensieve, inspirerende maar vooral gezellige middag zagen we elf blije gezichten het pand verlaten. Een eerste stap op weg naar een nieuwe omgevingsvisie voor Vijfheerenlanden!

Hup Jorrit!

Mijn Olympisch avontuur van 2014

De Olympische Winterspelen zijn begonnen en dit jaar zal ik de schaatsonderdelen anders volgen dan vier jaar geleden. Toen had ik een van mijn meest bijzondere klussen; ik was perschef van het BAM Schaatsteam, grotendeels het huidige team Clafis. In dat team de schaatsers Bob de Jong en Jorrit Bergsma die een gooi deden naar de prijzen op de 5 en 10 kilometer. Bob de Jong is nu wel op de Spelen, maar dan als coach voor de Koreanen. Jorrit is er natuurlijk ook en dit jaar uit datzelfde team ook de Nederlanders Bob de Vries, Irene Schouten en de Amerikanen Heather Bergsma (vrouw van) en Olivier Jean. Dit alles onder leiding van de nooit saaie coach Jillert Anema.

De start van de Winterspelen brachten de herinneringen terug naar onze periode bij het BAM Schaatsteam, toen echt een marathonteam met enkele uitstapjes naar de langebaan. Wekelijks werden de marathons verreden en de BAM-trein was onverslaanbaar. Regelmatig was het BAM BAM BAM als ze de plekken 1, 2 en 3 op het podium pakten. Met Bob de Jong en Jorrit Bergsma had de ploeg troeven in handen voor de 5 en de 10 kilometer.

Een van die herinneringen was bij mijn kennismaking met Jillert tijdens een teambijeenkomst in een klein museum ergens in Friesland. Toen hij hoorde dat ik de communicatie voor de ploeg ging doen, bleef hij 5 minuten onophoudelijk lachen. Ik wist dit. Ik was hierop voorbereid en liet het over me heen komen. Het kwam echt goed tussen ons en we hebben nog steeds regelmatig contact met elkaar. Voor mij was toen wel duidelijk dat ik – zonder echt veel verstand van schaatsen – een bijzondere uitdaging aangenomen had. Een club bloedfanatieke voornamelijk Friezen op de schaats helpen in hun contacten met de media. Ik ben er echt van gaan houden intussen.

En ook van de mensen in de ploeg. Mensen die zo gaan voor hun sport en toen vanuit een underdog positie op de langebaan de gevestigde orde uitdagen, dat verdient respect.

Nu is het zo dat ik verbonden was aan de schaatsploeg en tijdens de Olympische Spelen val je als sporters onder het NOC*NSF. Dat betekent dat je vooraf op zoek moet naar mogelijkheden om de schaatsers te profileren. Met PR-kanonnen als Sven Kramer en Ireen Wust, is dat niet eenvoudig. Een van de leuke zaken was een dagelijks telefoongesprek op de radio tussen Tijs van den Brink en Jillert Anema tijdens de Spelen. Of het moment dat de coach op de Amerikaanse TV uitgebreid de tijd nam om uit te leggen waarom de Amerikanen zo slecht presteerden. En dan natuurlijk de rel rond de ploegenachtervolging waar Jorrit reserve stond en zijn plek opgaf. Dan ben je geen onderdeel van de Olympische ploeg in Sotchi, maar kun je op afstand wel veel doen in de (morele) support.

Het absolute hoogtepunt voor mij was de winst van Jorrit Bergsma op de 10 kilometer. Een ongekende prestatie om daar Sven Kramer, die daar zo graag wilde winnen, te verslaan. Na de winst stond de telefoon niet stil en alle programma’s wilde Jorrit na afloop van de Spelen hebben. Dat mogen organiseren en begeleiden is natuurlijk gewoon heel leuk omdat Jorrit echt iets neergezet heeft toen.

Dus ja, ik zal ook dit jaar tijdens de 10 kilometer absoluut hopen op winst voor Jorrit, dat zal niemand me kwalijk nemen. Ik zal met net zoveel spanning voor de TV zitten, al zal de telefoon daarna wel stil blijven. Thuis leidt dat wellicht tot wat strijd, Stella is namelijk absoluut voor Sven.

Luc Dietz | Directeur

Als je echt iets wil bereiken, moet je bij de raad zijn. En niet in China.

Een brief aan ADO-directeur Matthijs Manders,

naar aanleiding van https://www.telegraaf.nl/sport/1584100/ado-fluit-politicus-beugelsdijk-terug


Geachte heer Manders,

Ik snap het niet. Als de gemeenteraad van Den Haag zich echt alleen met fietsenrekken in Scheveningen zou bezighouden, wat is dan uw probleem?

Uw oproep aan Beugelsdijk - tijdens het afgelopen Voetbalgala nog bejubeld als Maatschappelijk Voetballer van het Jaar -  om zich terug te trekken als lijstduwer voor Groep De Mos (omdat hij zich daar toch alleen maar met fietsenrekken in Scheveningen en bomenkap zou bezighouden) is op zijn zachtst gezegd hypocriet. En nog los van de vraag of de partij van ex-PVV’er De Mos nu de meest handige keus is als je invloed wilt uitoefenen (alhoewel – hij was een van de weinigen die de steun aan uw voetbalclub overeind wilde houden) getuigt uw kwalificatie van het gemeenteraadswerk van een schokkend gebrek aan inzicht in hoe Nederland werkt.

De voetbalwereld verlangt van haar boegbeelden dat ze zich maatschappelijk engageren. Niet voor niets worden sporters gevraagd zich publiekelijk uit te spreken over maatschappelijke thema’s. Om de haverklap worden er zwarte armbanden uitgedeeld, minuten stil gehouden, en empathische me too-verklaringen georkestreerd.

Kennelijk is maatschappelijk engagement alleen toegestaan voor door het bestuur van ADO goedgekeurde doelen. Daarmee bedrijft ADO Den Haag zelf politiek. En niet eens zo succesvol, getuige de recente soap rond de steun aan het ADO stadion en ADO zelf.

De laatste jaren is de macht in ons land steeds meer naar gemeenten geschoven. Ruimtelijke ontwikkeling, werk en inkomen, sport, cultuur: lokale politiek gaat ergens over. In mijn dagelijks werk zie ik hoe complex de vraagstukken zijn waarover raadsleden zich buigen. En hoe groot de belangen zijn, die op lokaal niveau worden gewogen. Gemeenten maken het verschil. En zie je ook hoe gemeenten het verschil kunnen maken. Als Haagse club kan de impact van internationale conferenties en ambitieuze projecten die Den Haag op de kaart zetten (zoals het Binckhorst kwartier) toch moeilijk aan u voorbij zijn gegaan?

Ik wil niet speculeren over waarom u zo verbolgen bent over de Haagse raad. Maar als je echt wat wilt bereiken, moet je (net als bij voetbal) weten hoe het spel gespeeld wordt. Ik zou graag eens met u bomen over hoe de relatie tussen ADO en Den Haag beter kan.

Niks ten nadele van de fietsenrekken in Scheveningen, maar als je echt iets wilt voor elkaar wilt krijgen, moet je bij de gemeenteraad zijn. En niet in China.

Hartelijke groet,

Annemieke Stallaert

Tekort woningen; van marktvraag naar maatschappelijk verantwoord bouwen

Afgelopen week stond het weer in de krant: er zijn te weinig woningen voor starters en doorstromers beschikbaar. Zeker in de grote steden zie je dit probleem. De economie is booming en de huizenprijzen zijn dat ook. Startsalarissen groeien veel minder snel, banken zijn minder scheutig met het verstrekken van hypotheken dan voor de crisis en – ook weer vooral in de steden – worden appartementen gekocht door vermogende mensen die ze vervolgens voor zoveel mogelijk geld verhuren, of zoals in de grote steden, inzetten voor AirBnB.

De afgelopen 15 jaar heb ik op verschillende momenten geschreven over marktwerking in de woningbouw. Rond 2002 hadden we een kleine dip en toen was het credo: doe aan woningmarketing. Aan een tube tandpasta werd (en wordt) nog altijd veel meer geld besteed dan aan de marketing van een nieuwbouwwoning.

Rond 2009 schreven we dat de aandacht nog meer gericht moest worden op de burger. Hoe dichter je tegen de burger aankroop, hoe beter je deze aanvoelde en hoe eerder je een woning verkocht. Het particulier opdrachtgeverschap (PO) en Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) kwamen op, maar werden nooit echt een succes. Het was te ingewikkeld, processen duurden te lang en het was een manier om toch nog woningen aan de man te brengen. Het was daarmee ook een antwoord op projectontwikkelaars die even niks meer konden doen.

Voorraad woningen te klein door crisis

We vroegen ons toen al af wat er zou gebeuren als de crisis voorbij zou zijn. Zouden ontwikkelaars en gemeenten al die persoonlijke aandacht vasthouden of toch weer terugvallen in hun oude doen. Dat laatste blijkt helaas – uitzonderingen daargelaten – vaak het geval. Alleen dit veroorzaakt niet het tekort aan woningen. De vele saneringen bij grote projectontwikkelaars dragen er wel aan bij. Het ontwikkelen van een woningproject kost eerder 10 dan 5 jaar en dat betekent dat we nu zitten met een te kleine voorraad vanuit de crisis.

En het opbouwen van een nieuwe voorraad woningbouwprojecten kost tijd. In ons land zijn er simpelweg geen makkelijke locaties meer over. Met elke locatie is wat aan de hand. Of het is in bezit van ontwikkelaars, maar de gemeente wil er even niks mee. Of het heeft nu een andere bestemming en het wijzigen ervan kost tijd. Het transformeren van kantoren heeft best wat woningen opgeleverd, maar inmiddels hebben we die ook weer nodig waar ze voor bedoeld waren: als kantoor.

Verbeter je maatschappelijke positie

We zijn als bureau betrokken bij veel projecten waar de marktvraag voor een locatie al ingevuld is, maar politiek of omgeving nog onvoldoende meegenomen zijn. Dat betekent dat ontwikkelaars minder energie hoeven te stoppen in marketing, maar veel meer in lokale lobby. En om dat succesvol te kunnen doen, moet je maatschappelijk een sterke positie hebben en dat is in het politieke landschap voor vastgoedpartijen niet een vanzelfsprekendheid. Zo’n goede positie helpt je overigens ook bij tenders, je weet immers nog beter wat er lokaal speelt.

Wat daarbij niet helpt is de komst van de omgevingswet waarbij initiatiefnemers van ruimtelijke ingrepen zelf de kooltjes uit het vuur in de buurt mogen halen. Zij moeten voordat de gemeente er ook maar naar kijkt, laten zien wat stakeholders ervan vinden. Ook dan moet je je maatschappelijk van je beste kant laten zien.

En dan weer terug naar het tekort aan starterswoningen. Ook dat is een maatschappelijke opgave. We mogen deze mensen niet in de kou laten staan. Is dat dan alleen een nobel streven? Neen. Doorstroming is essentieel op de woningmarkt. Doe je nu niets aan het tekort aan woningen voor starters en doorstromers, dan houd je daar decennia lang last van. Wanneer mensen niet starten op de woningmarkt of een volgende stap in een te hoog segment zit, dan zullen ze ook niet doorstromen.

Wil je dit probleem aanpakken, dan zal je als overheid vooral moeten blijven inzetten op het bouwen van betaalbare woningen. Rijk, gemeenten en marktpartijen moeten de handen ineen slaan, processen vereenvoudigen en locaties aanwijzen. We hebben behoefte aan ca een miljoen (duurzame!) woningen de komende jaren, dus werk aan de winkel!

Luc Dietz | Directeur

Camiel verorberd met mes en vork

Camiel Eurlings. Blog Luc Dietz. Communicatie. Positionering

Hebben jullie ook de val van Camiel Eurlings gevolgd? Afgelopen week was er geen ontkomen aan. Twitteraars verorberden de oud-minister netjes met mes en vork en zorgden er zo voor dat hem niets anders restte dan zijn lidmaatschap van het IOC op te zeggen. Als je kijkt naar publieke figuren in deze tijd vergeleken met 10 jaar geleden, dan moet je niet alleen goed zijn in waar je je bekendheid aan ontleent. Tegenwoordig moet je vooral ook in de gaten houden of het publiek vindt dat jij je netjes gedraagt en of je altijd en overal het goede voorbeeld geeft. Nog even en we hebben over vier jaar niet alleen een Olympisch Kwalificatie Toernooi, nee, schaatsers moeten ook voldoen aan het BKT, het Beeldvormings Kwalificatie Toernooi.

Nu hoor ik je denken, maar Camiel heeft het toch niet handig aangepakt? Dat zou je kunnen zeggen, maar waarom zeg je dat eigenlijk? Waarom hebben wij de enorme behoefte mensen de maat te nemen? We hebben onze mond vol van mensen die de frustratie van zich af schelden op Twitter en nemen deze mensen niet zo serieus als ze een bekend politicus voor van alles en nog wat uitmaken. Wat is het verschil als een welbespraakte pro op Twitter met zorgvuldig gekozen woorden, een ander veroordeelt zonder dat deze zich daar direct op kan verweren? De woorden zijn anders, de bedoeling is hetzelfde: iemand publiek ter verantwoording roepen en vaak; iemand onderuit trekken.

En als je aan de andere kant zit, dus bekend bent, is stilzitten als je geschoren wordt dan nog steeds het beste medicijn? Blijkbaar niet, want dat heeft Camiel lange tijd gedaan en dat was ook niet goed. Wat het extra lastig maakt is dat je deskundigen aan twee kanten hebt staan. Aan de kant van degene die onder het vergrootglas ligt en aan de andere zijde de deskundigen die niet door de persoon in kwestie ingehuurd zijn. Ik kan me toch niet helemaal aan de indruk onttrekken dat bij deze laatste groep een zekere behoefte aan profilering zit.

Nee, als je nu bekend bent, zal je mee moeten met de open communicatie van deze tijd. Je bent publiek bezit en daarmee moet je mee in de nieuwe spelregels van openheid. Daarbij hoef je overigens niet altijd op elke vraag een antwoord te geven, wel verwacht men een open mind en houding. De bestuurders en andere BN’ers die dat goed aanvoelen, worden vaak het beste beoordeeld op hun communicatie en hun beeldvorming leidt het minste onder eventuele maatschappelijke misstappen.

In zekere zin is het leven voor deze groep inderdaad een groot Beeldvormings Kwalificatie Toernooi. En dat heeft ook zo zijn invloed op de beschikbaarheid van publieke ambtsdragers. Over een paar maanden krijgen we weer een paar honderd nieuwe wethouders in Nederland. Zij zullen zich dit terdege moeten realiseren. En laten we hen een beetje ruimte geven om eraan te wennen.

Luc Dietz | Directeur

De eerste coöperatieve Wijkraad van Nederland

Coöperatieve wijkraad. Omgevingswet. Jasper Benus. Omgevingsmanagement

In de Groningse Oosterparkwijk is de eerste coöperatieve Wijkraad van Nederland gestart. Dit is een vooruitstrevend voorbeeld van hoe overheden anders kunnen - en moeten - omgaan met de steeds mondiger wordende burger. Zeker in wijken waar nog veel uitdagingen - en daarmee automatisch ook veel kansen - liggen, om welke redenen dan ook.

Wijkbewoners weten wat er speelt in hun wijk en kennen de problemen, kansen en uitdagingen in hun wijk beter dan wie dan ook. Door wijkbewoners nauw samen te laten werken, met elkaar maar ook met de lokale politiek, ontstaat een nieuwe dynamiek. De bewoners krijgen meer inzicht in de keuzes waar het politieke bestuur mee te maken krijgt en vice versa. Er is lef voor nodig om vervolgens ook nog daadwerkelijk een budget te koppelen aan de zeggenschap van de Wijkraad, zodat er ook echt kan worden geïnvesteerd in kansen voor de wijk.

Als deze pilot in Groningen werkt en andere steden nemen dit soort werkvormen over, dan kan dit - zeker in combinatie met de invoering van de Omgevingswet - belangrijke veranderingen teweegbrengen in hoe op lokaal niveau het politieke speelveld eruit komt te zien. Burgers krijgen door dit soort werkvormen niet alleen meer zeggenschap over hun directe leefomgeving, ze krijgen straks na de invoering van de Omgevingswet (naar verwachting in 2021) ook daadwerkelijk meer invloed doordat ruimtelijke aanpassingen sneller van de grond kunnen komen.

Een gedurfde zet van de gemeente Groningen en mogelijk ook een hele belangrijke met oog op de toekomst. Ik hoop van harte dat het een geslaagde pilot wordt.

Jasper Benus | Senior Adviseur